Het censuskiesrecht

Laat in de negentiende eeuw had slechts een welvarende groep van de Nederlandse bevolking een invloed op het bestuur van hun land. Dit noemen we het censuskiesrecht. Het stemrecht was hiermee enkel voorbehouden aan lieden welke vermogend genoeg waren om minstens een vastgesteld bedrag te betalen in de vorm van belastingen. Dit kiesrecht wordt ook wel het cijnskiesrecht genoemd, afgeleid van het leenwoord ‘accijns’ uit het Latijn, dat ‘verbruiksbelasting’ betekent.

Het censuskiesrecht werd gebaseerd op de stelling: “No taxation without representation.” Het idee achter deze stelling komt voort uit het feit dat een wetgevende macht belastinggeld kost. Alleen wanneer iemand meer belastinggeld kon betalen aan de overheid dan ontvangen werd uit uitkeringen of loon, mocht hij meebeslissen over de hoogte van geheven belastingen en uitgaven van dergelijk belastinggeld.

Langzaam maar zeker ontstonden er eind negentiende eeuw diverse politieke stromingen, waaruit vervolgens verschillende politieke partijen voortvloeiden. Dit leidde tot het uitbreiden van het censuskiesrecht in de grondwetswijziging van 1887. Tijdens deze wijziging van de grondwet werd een belangrijk artikel toegevoegd. Hierin stond namelijk de bepaling dat alle mannelijke burgers welke maatschappelijke welstand bezaten en tekenen van geschiktheid bezaten, vanaf dat moment kiesrecht mochten uitoefenen. Deze toevoeging op de grondwet was echter nogal vaag en rekbaar en werd daarom heel toepasselijk het ‘caoutchouc-artikel’ genoemd. Caoutchouc was destijds namelijk de algemene benaming voor rubber.

De toevoeging op de geldende grondwet gaf echter wel een opening voor mensen om op alternatieve gronden, anders dan vermogen en inkomen, het kiesrecht op te eisen. Volgens de kieswet van 1896 kon men namelijk op grond van de volgende regels stemrecht verkrijgen:

  • Door de betaling van een bepaald bedrag aan belastingen.
  • Door het bezit van een bepaald bedrag aan spaargeld of vermogen.
  • Door het behaald hebben van specifieke examens, ook wel het capaciteitskiesrecht genoemd.
  • Door het ontvangen van een bepaalde hoogte aan inkomen uit arbeid.
  • Door het bezit van een woning.

Uiteindelijk leidde dit caoutchouc-recht tot het steeds meer uitdijen van de groep kiesgerechtigde mannen en werd in 1917 het censuskiesrecht afgeschaft en voor het algemeen kiesrecht vervangen.

Geef een reactie

Your e-mail will not be published. All required Fields are marked